Trendrapport 2026
Bovenstaande interactieve plaat brengt de belangrijkste inzichten uit het trendrapport visueel in kaart. De nummers in de afbeelding verwijzen naar verschillende trends, ontwikkelingen en voorbeelden. Klik op een nummer of scroll verder de door deze pagina om per onderwerp het volledige verhaal, extra verdieping en inspiratie te ontdekken. Zo navigeer je eenvoudig door alle onderdelen van het rapport en bepaal je zelf welke onderwerpen je verder wilt verkennen.
Lees hier het nieuwsbericht: Warmtenetten op kantelpunt – veel beweging maar opschaling blijft achter.
Warmte als onderdeel van een geïntegreerd energiesysteem
De keuze voor een warmtenet is steeds vaker ook een keuze aangaande netcongestie, infrastructuurkosten en de inrichting van het toekomstige energiesysteem. Warmtenetten kunnen het elektriciteitsnet op piekmomenten ontlasten en bieden via warmtebuffers flexibiliteit aan het bredere systeem. Dat biedt kansen voor de businesscase en maakt warmtenetten strategisch interessant voor netbeheerders, gemeenten en het Rijk. We zien een beweging op gang komen waarin warmtenetten, (klimaatneutraal) gas en elektriciteit elkaar niet beconcurreren, maar juist aanvullen binnen een geïntegreerd systeem.
Lokale bronnen, slimme sturing en opslag van warmte maken het mogelijk om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. Veel gemeenten (42%) denken wel na over systeemintegratie, maar de meeste gemeenten maken deze afweging nog niet structureel. Systeemintegratie zou echter wel een belangrijk onderdeel moeten zijn van elk toekomstbestendig warmteprogramma.

Lichte groei in aansluitingen, daling in warmteverbruik. De bestaande woningvoorraad blijft de grootste uitdaging
Het aantal aansluitingen op warmtenetten groeit licht, maar tegelijk daalt het warmteverbruik per aansluiting gestaag, waarschijnlijk door isolatie en veranderingen in gedrag. Dat is positief, maar dit betekent ook dat de businesscase voor warmtenetten steeds minder gebaseerd kan worden op het verbruik per aansluiting. Dit maakt het des te belangrijker om de meerwaarde die warmtenetten bieden in verband met netcongestie te verzilveren.
Tegelijkertijd blijft de warmtenetontwikkeling binnen de bestaande bouw ver achter op de doelstellingen. De echte opgave ligt bij het aansluiten van de bestaande bouw, met complexe opgaven zoals een drukke ondergrond, overlast in woning en buurt, ‘gespikkeld bezit’ en VvE’s. Nieuwbouw en in mindere mate ook woningen beheerd door woningcorporaties zijn relatief makkelijker aan te sluiten. Woningen gebouwd vóór 1992 vormen de grootste woningvoorraad in Nederland, maar hebben de laagste aansluitgraad.
De aanpak voor deze segmenten is in theorie bekend: gebiedsgericht werken, combineren met andere opgaven in de wijk en vroeg beginnen.
In de praktijk loopt men echter steeds tegen dezelfde ontbrekende randvoorwaarden aan: betaalbaarheid, financiering en draagvlak.

Verduurzamingstrend van warmtebronnen blijft vooralsnog uit, een duidelijke bronnenstrategie is gewenst
De verduurzaming van warmtenetten laat vooralsnog geen duidelijke verbetering zien, al ligt de gemiddelde uitstoot nog steeds aanzienlijk lager dan bij een cv-ketel op aardgas. Op verschillende plekken, ook binnen grote netten, worden wel degelijk stappen gezet in het verduurzamen van bronnen, maar die zijn op sectorniveau nog niet zichtbaar. Door incidentele problemen worden er tijdelijk gasinstallaties ingezet bij enkele grote warmtenetten en is de uitstoot op nationaal niveau zelfs licht gestegen. Naar verwachting is dat effect tijdelijk, maar structurele verduurzaming blijft vooralsnog uit.
De aandacht moet daarom sterker naar de bronnenstrategie voor de meer dan 500.000 bestaande aansluitingen. Ook daar blijft een grote opgave voor de sector liggen.
150 warmtenetten in de pijplijn: kans en toets tegelijk
Er zijn momenteel 150 warmtenetprojecten in ontwikkeling, waarvan er 60 vóór 2030 operationeel willen zijn. Samen gaat het naar schatting om meer dan 560.000 geplande aansluitingen, circa 128.000 daarvan vóór 2030. Dit laat zien dat gemeenten de regie nemen.
Tegelijkertijd blijkt realisatie geen vanzelfsprekendheid: 37% van de recent opgestarte projecten is vertraagd of stopgezet. De komende jaren zijn bepalend, omdat de randvoorwaarden op orde moeten komen om plannen daadwerkelijk uit te voeren. Bovendien is de verwachte groei nog onvoldoende om de verduurzamingsdoelen te halen. Er is voortgang, maar niet op het tempo en de schaal die nodig zijn. Uit interviews blijkt dat de randvoorwaarden nog tekortschieten.
Lagetemperatuurnetten, publiek eigendom en verschillende duurzame bronnen winnen terrein
De pijplijn laat een duidelijke verschuiving zien naar lage- en zeerlagetemperatuurnetten, zowel bij kleine als grote warmtenetten. Het aandeel gemeenten dat ZLT- of LT-netten overweegt, steeg van 26% in 2024 naar 44% in 2025.
Ook publiek eigendom komt vaker voor en energiecoöperaties worden vaker betrokken. De bronnenmix verbreedt: geothermie, aquathermie, bodemenergie, zonthermie en WKO winnen terrein. Fossiele hoofdbronnen verdwijnen uit beeld, terwijl restwarmte belangrijk blijft.
Van privaat naar publiek: een sector in reorganisatie
De Wcw heeft de warmtemarkt ingrijpend veranderd. Waar private partijen voorheen de trekkers waren, nemen gemeenten en regio’s nu vaker het initiatief via publieke warmtebedrijven. Netbeheerders versterken hun rol en coöperaties krijgen een duidelijkere positie. Private partijen wachten af of verschuiven naar rollen als bronleverancier, uitvoerder of minderheidsaandeelhouder. Financiering beweegt mee richting publieke instrumenten, wat kapitaallasten kan verlagen.
Warmtenetten worden nog niet formeel als kritieke infrastructuur gezien, zoals waterleidingen en rioleringen, maar passen wel in dat perspectief. De Wcw geeft richting via publieke eigendomsstructuren, kostengebaseerde tarieven en duurzaamheidsnormen, maar heeft ook tot onzekerheid en vertraging geleid. Gemeenten bouwen ervaring op, terwijl uitvoeringsregels nog in ontwikkeling zijn.
De ambitie is er, maar de randvoorwaarden zijn nog niet op orde
Hoewel goed bekend is wat in theorie werkt bij de realisatie van warmtenetten, blijft grootschalige opschaling in de praktijk achter. Succesvolle projecten blijken vaak afhankelijk van uitzonderlijke omstandigheden zoals hoge subsidies en intensieve begeleiding, die niet structureel beschikbaar zijn.
Tegelijk verandert het speelveld ingrijpend door de verschuiving naar publieke regie, nieuwe wetgeving en gemeenten die zelf warmtebedrijven oprichten. De ambitie is duidelijk aanwezig, maar de randvoorwaarden voor brede en succesvolle uitrol zijn nog niet op orde, met name op het gebied van betaalbaarheid, draagvlak en financierbaarheid.
De betaalbaarheid van alle energiedragers staat onder druk
De aandacht verschuift van de variabele energieprijs naar de totale energierekening, waarin vaste lasten een groeiend aandeel hebben. Richting 2035 nemen de vaste kosten voor warmte, elektriciteit en gas naar verwachting verder toe.
Door de kostengebaseerde tariefsystematiek wordt het warmtetarief minder afhankelijk van gasprijsschommelingen, maar stijgt het vaste deel van de rekening naar alle waarschijnlijkheid, en loont energiebesparing relatief minder. Warmtenetten zijn in veel situaties nu nog duurder dan verwarmen op aardgas, al worden de verschillen richting 2035 kleiner. Tegelijk blijft de bandbreedte groot, en sterk afhankelijk van woningtype, investeringskosten en toekomstige energieprijzen. Beleidsmaatregelen zoals ETS2 en de verplichting van de bijmenging van groen gas maken warmte niet automatisch substantieel goedkoper dan het alternatief op gas.
Warmte wordt nog niet gezien als lonkend perspectief
Collectieve warmte wordt door veel bewoners nog niet ervaren als een aantrekkelijk en vanzelfsprekend alternatief voor aardgas. Bewoners met een warmtenetaansluiting hebben én ervaren vaak minder keuzevrijheid en minder directe mogelijkheden om hun energierekening te beïnvloeden, bijvoorbeeld doordat het vaste deel van de kosten relatief groot is. Dat beperkt het gevoel van grip op de eigen situatie. Daarnaast vraagt het proces van aansluiten veel tijd, vertrouwen en maatwerk. Het samen optrekken met bewoners, transparant zijn over kosten en perspectief bieden op de lange termijn vormen het fundament voor draagvlak. De manier waarop bewoners worden benaderd is daarbij cruciaal: een puur technische of verplichtende benadering werkt averechts.
Huidig beleid stuurt veelal op gemiddeld ‘niet duurder dan het alternatief’, maar dat blijkt in de praktijk onvoldoende om enthousiasme te creëren. Een goed aanbod behelst meer dan een warm huis alleen. Betaalbaarheid, het ervaren van keuzevrijheid en aanvullende voordelen – zoals comfort, verduurzaming van de woning of collectieve meerwaarde in de wijk – zijn bepalend om collectieve warmte daadwerkelijk als lonkend perspectief te positioneren.
