Denemarken wordt door veel Nederlanders in de warmtesector gezien als gidsland, maar er zijn grote verschillen. Dat merkte Els van der Roest, beleidsadviseur van de gemeente Utrecht, tijdens een twee maanden durend werkverblijf in Denemarken. Wat kunnen we van de Denen leren? Volgens haar speelt pragmatisme daarbij een belangrijke rol. Dat betekent bijvoorbeeld niet meteen 100% van het gas af, maar kiezen voor een geleidelijke overgang. Daarnaast zijn er op het gebied van standaardisatie en techniek mogelijkheden voor verbetering, vindt ze.
In Denemarken sprak Van der Roest, lokaal met onderzoekers van PlanEnergi en Aalborg Universiteit, gemeenten, warmtebedrijven en ingenieursbureaus. Een van de belangrijkste lessen die ze daar opdeed, is dat beide landen niet zonder meer met elkaar te vergelijken zijn. “De situatie is niet hetzelfde en we kunnen het Deense model niet kopiëren. Een van de verschillen die me meteen opvielen, was dat warmte veel zichtbaarder is. Naast een warmtecentrale met een enorme schoorsteen worden gewoon woningen gebouwd. En de afvalverbrandingscentrale van Kopenhagen is een soort toeristische attractie geworden. Dat zegt wel wat over de acceptatie van warmte door de Denen.”

Beperkt vollooprisico
Volgens Van der Roest ligt de grootste verklaring van de verschillen tussen Nederland en Denemarken in de geschiedenis. Denemarken begon na de oliecrisis van de jaren zeventig met een grootschalige uitrol van warmtenetten. Warmtevoorziening is er een publieke taak, warmtebedrijven werken zonder winstoogmerk, zijn gemeentelijk of in handen van lokale coöperaties. De prijzen zijn transparant en gebaseerd op kostprijs, waardoor het vertrouwen onder bewoners groot is. Van der Roest: “Warmtenetten worden breed geaccepteerd, waardoor nieuwe projecten vaak direct een aansluitpercentage van tachtig tot negentig procent behalen. Dat beperkt het vollooprisico aanzienlijk.”
Betaalbaarheid en leveringszekerheid
Dankzij de eigen aardgasvoorraden was er in Nederland decennialang weinig aanleiding om warmtenetten grootschalig te ontwikkelen. Pas met het Klimaatakkoord kwam de Nederlandse warmtetransitie in 2018 echt op gang. Daardoor ligt de nadruk hier veel sterker op het volledig aardgasvrij maken van wijken, terwijl Denemarken vooral begon vanuit betaalbaarheid en leveringszekerheid. In Nederland wordt vaak meteen naar een volledig aardgasvrije oplossing gestreefd, terwijl de Denen erkennen dat een beperkte inzet van gas tijdens de overgangsfase soms economisch verstandiger is. Van der Roest: “In Nederland willen we meteen helemaal van het gas af en ook de piekvoorziening verduurzamen. Daar ze zijn ze in Denemarken veel pragmatischer in. Als ze nog 5% van de warmtevoorziening met gas opwekken, zien ze dat nog altijd als een besparing van 95%. Daar zouden we in Nederland ook wel wat pragmatischer mee om mogen gaan.”
Warmteonderstations
Ook de technische inrichting van warmtenetten is anders in beide landen. In Nederland worden netten vrijwel standaard voorzien van warmteonderstations (WOS’en), die zorgen voor hydraulische scheiding en drukregeling. Gemiddeld wordt één onderstation geplaatst per ongeveer vijf- tot zeshonderd aansluitingen. In Denemarken zijn dergelijke installaties juist uitzonderlijk en worden ze alleen toegepast bij veel grotere netten, vertelt Van der Roest. “Ook daarin zijn ze veel pragmatischer. Als het nodig is de druk te verhogen, graven ze zo’n pomp gewoon in. Dat levert niet alleen lagere investeringskosten op, maar bespaart ook ruimte in de openbare omgeving.” Aangezien er in Nederland ook steeds meer kleinere warmtenetten komen met een lagere temperatuur, vraagt Van der Roest zich af of deze Nederlandse ontwerppraktijk nog wel past. “Mogelijk zijn afsluiters voldoende om delen van het netwerk af te sluiten voor onderhoud, zonder dat complete warmteonderstations nodig zijn. De terughoudendheid om hiervan af te wijken zit bij opdrachtgevers, die begrijpelijkerwijs weinig risico willen nemen.”
Geleidelijke ontwikkeling
Ook de ontwikkeling van warmtebronnen laat zien dat Denemarken zich in een andere fase bevindt. Slechts een klein deel van de Deense warmteproductie is nog fossiel, maar daar staat tegenover dat biomassa jarenlang de belangrijkste duurzame bron is geweest. Meer dan de helft van alle warmte wordt nog altijd met biomassa geproduceerd, waarvan een aanzienlijk deel wordt geïmporteerd. Van der Roest: “In Nederland is dat geen optie vanwege de discussie rond biomassa. En ik vraag me zelf ook af of je dat moet willen.” Ze ziet meer toekomst in een combinatie van restwarmte, geothermie, aquathermie en grootschalige elektrificatie met warmtepompen. Wel laat Denemarken zien dat verduurzaming een stapsgewijs proces is. Die geleidelijke ontwikkeling biedt volgens haar een realistischer perspectief dan direct streven naar de perfecte eindoplossing.
Standaardisatie
Door de lange ervaring met warmtenetten in Denemarken is de werkwijze in projecten voor een groot deel gestandaardiseerd, zegt Van der Roest. “Er zijn templates voor sociaaleconomische analyse beschikbaar voor gemeentes om een goede afweging te maken, het lijkt een beetje op onze warmteprogramma’s.” Standaardisatie zit in Denemarken ook in de kengetallen, legt ze uit. “Als je in Nederland een onderzoek naar een warmte-oplossing voor een aardgasvrije wijk laat uitvoeren door twee verschillende adviesbureaus kunnen de getalsmatige uitkomsten enorm verschillen. In Denemarken zijn gestandaardiseerde kengetallen beschikbaar, waardoor je veel constantere uitkomsten krijgt.” Daarbij mist ze in Nederland een landelijke database met uniforme technische en economische kentallen, zodat verschillende haalbaarheidsstudies beter vergelijkbaar worden.
Weinig overhead
In Denemarken dragen coöperatieve organisaties, lange afschrijvingstermijnen en beperkte overhead bij aan lagere maatschappelijke kosten van warmtenetten. “Er zijn 350 warmtebedrijven, waarvan 310 coöperaties. Deze worden getrokken door burgers waardoor er weinig overhead is. Zo blijven de tarieven betaalbaar. Ook in Nederland zie je nu meer warmtegemeenschappen en coöperaties ontstaan.” In Denemarken worden daadwerkelijke investeringskosten worden openlijk gedeeld, zodat bewoners zien welke kosten de coöperatie of gemeente voor haar rekening neemt. Rekentools maken inzichtelijk hoeveel een huishouden kan besparen en bewoners kunnen kiezen tussen verschillende aansluitvormen, variërend van volledige ontzorging tot meer eigen verantwoordelijkheid.

Warmtebuffers
In het ontwerp van warmtenetten in Denemarken spelen grote warmtebuffers een veel prominentere rol dan in Nederland, vertelt Van der Roest. “Door warmte tijdelijk op te slaan en slim gebruik te maken van wisselende elektriciteitsprijzen kan het jaarlijkse gasgebruik worden teruggebracht tot ongeveer vijf procent.” Volgens Van der Roest zou Nederland veel vaker met dergelijke buffers moeten ontwerpen.
