Warmte in een geïntegreerd energiesysteem vraagt een ander ontwerp

Blog – Maya van der Steenhoven, directeur Stichting Warmtenetwerk
26 augustus 2026
Een warmtenet wordt in Nederland meestal ontworpen als een leveringssysteem. Er is een bron, een net en een aantal afnemers, en het ontwerp is af als de warmte ook op de koudste dag geleverd kan worden. Dat is een logisch ontwerp voor een wereld waarin het elektriciteitsnet altijd ruimte heeft en gas altijd beschikbaar is.
Op steeds meer plekken beginnen gemeenten, ontwikkelaars en warmtebedrijven anders te ontwerpen. Ze brengen eerst in kaart wat er in een gebied aan bronnen ligt, hoe de vraag zich de komende decennia ontwikkelt, hoeveel ruimte er op het elektriciteitsnet is en welke functies er nog meer bij komen: laadpalen, zon op dak, bedrijvigheid, een datacentrum. Pas daarna kiezen ze de techniek. Wat er dan uitkomt is geen warmtenet naast een elektriciteitsnet, maar een gebiedssysteem waarin warmte, elektriciteit en gas elkaar opvangen.
Wat er anders is aan dat ontwerp?
Drie dingen komen steeds terug.
Opslag zit er vanaf dag één in als sturingsinstrument. Een warmtebuffer of een WKO ontkoppelt het moment van produceren van het moment van leveren. Daar onderscheidt warmte zich van elektriciteit: warmte maken kan meestal een paar uur eerder of later, en voor koude geldt hetzelfde. Thermische opslag is bovendien goedkoop.
De piek wordt ook op gebiedsniveau stuurbaar. De elektriciteitsvraag van een warmtenet is aanstuurbaar als het systeem daarop is ontworpen, met opslag en een energiemanagementsysteem. Dan kan het iets wat achter de individuele meterkast niet kan: de gelijktijdige piek van een heel gebied verleggen. In Muiderberg is dat doorgerekend: 1.200 woningen op een warmtenet komen uit op maximaal 1,6 MW netbelasting, tegenover ongeveer 4 MW als diezelfde woningen elk een eigen warmtepomp zouden krijgen.
En de dragers vullen elkaar aan. Het elektrische deel hoeft niet gedimensioneerd te worden op de koudste dag van het jaar, want voor die paar dagen staat er een kleine reserve op gas of groen gas. Die draait bijna nooit, maar hij maakt het hele systeem goedkoper en betrouwbaarder.
Het sluit aan bij de landelijke visie
Het Nationaal Plan Energiesysteem, waarin het Rijk de ontwikkeling van het energiesysteem tot 2050 uitzet, gaat uit van een systeem waarin elektriciteit, warmte en gassen in samenhang worden ontwikkeld, en waarin opslag en flexibiliteit net zo hard nodig zijn als extra infrastructuur. Het Nationaal Warmtenet Trendrapport 2026 trekt dat door naar warmte: het zet warmte als onderdeel van een geïntegreerd energiesysteem op de eerste plaats van negen trends, en stelt dat systeemintegratie de basis zou moeten vormen van elk warmteprogramma. De investeringsscenario’s van Netbeheer Nederland gaan uit van ongeveer één op de drie wijken op een warmtenet om de investeringen in de andere wijken bij te kunnen benen. En het onderzoek dat Stichting Warmtenetwerk en TNO naar Denemarken deden komt met dezelfde eerste aanbeveling: bekijk warmte vanuit de rol in het totale energiesysteem, want Deense warmtebedrijven combineren warmteproductie met elektriciteitsopwekking, flexibele afname en opslag, en in Nederland is die integratie nog beperkt.
De gemeenten zijn er nog niet. 42 procent van de gemeenten zegt veel of erg veel over systeemintegratie na te denken bij de ontwikkeling van warmtenetten, maar het grootste deel daarvan doet dat niet op een structurele manier. Dat blijkt uit een eerder onderzoek van NPLW, dat is meegenomen in het Trendrapport.
Het lost problemen op waar we nu vastlopen
We lopen op vier punten tegelijk vast: het elektriciteitsnet zit vol, vraag en aanbod lopen in twee seizoenen steeds verder uit elkaar, de businesscase van warmtenetten staat onder druk en de roep om weerbaarheid wordt luider. Op alle vier heeft een gebiedsgericht ontworpen warmtenet iets te bieden.
Het eerste is toegang tot het net. Ruim veertienduizend bedrijven staan in de wachtrij voor een aansluiting, de woningbouw stagneert en in de Flevopolder, Gelderland en Utrecht geldt inmiddels een aansluitstop, ook voor kleinverbruik. Aanvragen worden sinds eind 2025 bovendien niet meer automatisch ingepast maar op een wachtlijst geplaatst. Een gebied dat zijn eigen piek beheerst en kan verlagen, vraagt minder transportcapaciteit en past daardoor soms nog in een net dat vol zit. Het brengt bovendien eigen bronnen mee, zoals geothermie, aquathermie en restwarmte, waardoor een deel van de warmtevraag helemaal niet op het elektriciteitsnet drukt.
Het tweede is dat vraag en aanbod uit elkaar lopen, over de dag en over de seizoenen. In de zomer schakelen we duurzame stroom af, in de winter stoken we fossiel bij. Een warmtenet met opslag kan die overschotten opnemen op het moment dat ze er zijn en als warmte bewaren tot de vraag er is. Zo stuurt een warmtenet mee op de balans van het systeem.
Het derde is de businesscase van het warmtenet zelf. Het warmteverbruik per aansluiting daalt gestaag door isolatie en gedrag, gemiddeld naar zo’n 20 GJ per huishouden, terwijl het vastrecht richting 2035 juist oploopt. Het verdienvermogen kan dus steeds minder op geleverde gigajoules rusten, en de rekening van de bewoner staat onder druk. Dit maakt het des te belangrijker om de meerwaarde die warmtenetten voor het energiesysteem leveren te verzilveren. Het Trendrapport zegt dat over netcongestie, maar hetzelfde geldt voor de balans en de weerbaarheid.
Het vierde is de kwetsbaarheid van het systeem. Een gebied met eigen opslag, lokale bronnen en piekvermogen kan bij uitval of schaarste langer op eigen benen staan, als het daarop is ontworpen.
Het gebeurt al
Bij DEVO in Veenendaal draait Groenpoort op warmtepompen met een WKO, luchtwarmtepompen en twee elektrische ketels, zonder gasaansluiting. De warmte wordt buiten de piekuren gemaakt, opgeslagen in een buffer en tijdens de piek geleverd, aangestuurd door een energiemanagementsysteem. In een volgend project onderzoekt DEVO of zon, batterij en laadpalen op dezelfde aansluiting kunnen.
Bij IJsseloevers in Nieuwegein delen de warmtevoorziening en 141 semipublieke laadpalen voor 562 woningen één capaciteitsgrens, in een gecombineerde energie- en parkeerhub met Stedin en de provincie Utrecht. Het gelijktijdige piekverbruik komt uit op ongeveer de helft van wat regulier zou zijn.
In de Merwedekanaalzone in Utrecht draaien 4.225 woningen en 33 grootverbruikers onder één capaciteitsplafond van 5,2 MW, met twaalf collectieve WKO-centrales, warmtebuffers, 370 slimme laadpalen, 4,5 MWp zon en een batterij van 3 MWh. Er is een local system operator nodig, die het geheel binnen het plafond houdt.
En in Muiderberg stuurt een coöperatief warmtenet op de actuele groothandelsprijs. Bij lage of negatieve prijzen laadt de buffer van 80 MWh, bij hoge prijzen levert het systeem uit de buffer. Bij een hoge prijs gaat de warmtepomp helemaal uit. Een volle buffer overbrugt in de winter dertien tot twintig uur.
Wat moet er nog gebeuren om warmtenetten zo met het energiesysteem te laten samenwerken?
De maatschappelijke waarde moet in de businesscase terechtkomen. Op dit moment gebeurt het omgekeerde. De vermeden verzwaring valt bij de netbeheerder, de kosten om die flexibiliteit te leveren liggen bij het warmtebedrijf en daarmee bij de bewoner. Het Trendrapport formuleert het scherp: de bredere maatschappelijke baten worden nu grotendeels bekostigd door de aangeslotenen op het warmtenet, terwijl de opbrengsten zich uitstrekken tot de samenleving als geheel. De eerste manieren om waarde te verzilveren bestaan al: netbeheerders kopen flexibiliteit in via flextenders en geven korting op het nettarief, en een buffer verlaagt de inkoopprijs van stroom aanzienlijk. Maar zolang dat niet structureel is uitgewerkt, kan een warmtebedrijf er niet op rekenen en wordt de rekening van de bewoner er niet lager van. En waar de waarde nog meer zit, leer je pas als je aan de slag gaat.
Regels die het tegenwerken moeten worden aangepakt. Een nieuw warmteproject kan in het prioriteringskader van de ACM, dat sinds eind 2025 bepaalt wie voorrang krijgt op het volle net, zo lijkt het vooralsnog, alleen als congestieverzachter meetellen door op piekmomenten stroom in te voeden, omdat het nog geen afname heeft die het kan verminderen. Wat het bespaart ten opzichte van individuele warmtepompen telt niet mee. In de praktijk leidt dat tot de eis om een extra gasmotor te plaatsen: Veenwarmte krijgt alleen een aansluiting als er minimaal 1 MW WKK bij komt, bovenop wat het project zelf nodig heeft. Een gasgestookte installatie om het elektriciteitsnet te helpen, terwijl hetzelfde project vanuit de Wcw en de WIS op duurzaamheid wordt afgerekend.
Een tweede voorbeeld is het moment van de rekening. Bij warmteprojecten moeten de aansluitkosten op het elektriciteitsnet, soms een ton per project, worden opgevoerd op het moment van de aanvraag, terwijl het warmtenet dan nog geen financiële close heeft. De aanvraag doen wordt zo een besluit dat je nog niet kunt nemen, terwijl je zonder aanvraag niet vooruitkomt. Dat probleem is wezenlijk anders dan bij een bedrijf dat één aansluiting aanvraagt. Collectieve infrastructuur kent een lange ontwikkelfase, veel partijen en een businesscase die pas rond is als alles rond is. De processen van netbeheerders zijn ingericht op die individuele aanvrager. Wat ontbreekt is een loket en dienstverlening voor collectieve aansluitingen, die recht doen aan hoe zulke projecten in elkaar zitten.
Een koplopersgroep
De projecten hierboven pionieren in een wereld die hier niet op is ingericht. Elke contractvorm, elke afspraak met de netbeheerder en elke rolverdeling moet ter plekke worden uitgevonden.
Bij de energiehubs op bedrijventerreinen hebben we gezien hoe je dat doorbreekt: met een koplopersgroep waarin initiatiefnemers, netbeheerders, overheden en toezichthouder samen aan tafel zitten en problemen oplossen op het moment dat ze zich voordoen. In die groep zijn ook de collectieve contractvormen verder ontwikkeld. En de aanpak leverde een nieuw inzicht op over de verzilvering. In het begin vroeg iedereen vooraf geld aan de netbeheerder, want de hub bespaarde een netverzwaring uit. Dat was onhandig, want alles wat je van de netbeheerder vraagt komt terug in de elektriciteitstarieven van iedereen, en die willen we juist laag houden. De voordelen bleken op heel andere plekken te liggen: lagere contractprijzen, toegang tot het net en continuïteit van bedrijfsvoering. De waarde zit in een stapeling van voordelen, zoals het bij een collectief hoort. Daardoor gingen de hubs alsnog vliegen.
Voor gebiedsgerichte energiesystemen met warmte als schakel wordt nu aan zo’n koplopersgroep gewerkt: initiatiefnemers, warmtebedrijven, netbeheerders, gemeenten, ACM en het Rijk samen, om ontwerpen te delen, knelpunten op te lossen waar ze ontstaan en uit te vinden waar de waarde werkelijk landt.
Oproep
Werkt u aan een gebiedsgericht energiesysteem waarin warmte, elektriciteit en opslag samenkomen? Of staat u aan het begin van zo’n project en loopt u tegen vragen aan over netcapaciteit, regelgeving, businesscase of samenwerking? Stuur dan een mail naar info@warmtenetwerk.nl onder vermelding van “vraag voor de koplopersgroep” en laat weten waar u tegenaan loopt.
