Wat is de beste aardgasvrije optie voor wijk x: een warmtenet, of een individuele oplossing? Gemeenten zijn aan de slag met het opstellen van warmteplannen. Om daar transparant en consistent aan te rekenen, hebben Nieuwe Warmte Nu, NPLW en TNO de Warmterichtlijn opgesteld.
Dat is een verzameling van uitgangspunten die moet leiden tot een zo betrouwbaar mogelijke keuze. De uitkomst zijn nationale kosten en baten, tarieven en de business case. De richtlijn is te gebruiken bij offerteverzoeken richting consultants en in te zetten door gemeenten die zelf rekenen.
Te grote verschillen
Marten Witkamp (Wattopia) legt in een recent webinar bij de introductie ervan uit waarom de Warmterichtlijn is gemaakt. Bij het vergelijken van rekenmodellen voor warmtenetten kwam naar voren dat er flinke verschillen in uitkomsten zitten, afhankelijk van welk rekenmodel je inzet. “Die verschillen waren zo groot dat we samen met de adviseurs en met gemeenten zeiden: dit is niet productief, hier hebben we niet zoveel aan.”
Verder standaardiseren van uitgangspunten was een wens en sloot aan bij de doelstelling van NLPW. Een standaard rekenmodel ontwikkelen bleek een brug te ver, maar standaard uitgangspunten opstellen een goed idee. De Warmterichtlijn dus.
Jacob Janssen (TNO) geeft nog meer context: hij legt in het webinar uit dat TNO zijn licht opsteekt bij de Denen. Nederland beweegt richting Denemarken qua beleid (warmtenetten grotendeels publiek in eigendom, kostengebaseerde tarieven). “Maar in Nederland is vaak nog onduidelijk wat de kosten precies zijn. En de prikkels om de tarieven laag te houden of te brengen, ontbreken soms.”
In Denemarken is een heel systeem opgezet om transparantie en prikkels te borgen. Onderdeel daarvan is een standaard planningsproces. Gemeenten zijn er verantwoordelijk voor de organisatie van projectvoorstellen. En het is er verplicht om de maatschappelijke kosten in kaart te brengen volgens een vast format, om zo het beste alternatief voor de warmtevoorziening te kiezen.
Maatschappelijke kosten, energiebehoefte en betaalbaarheid
Pieter Verstraten (TNO) legt uit hoe de Warmterichtlijn in elkaar steekt. Het is ‘geen document dat je van kaft tot kaft leest’. Het is gericht op het opstellen van warmteprogramma’s, maar ook bruikbaar in latere fases. Aan bod komen de maatschappelijke kosten (nationale kosten, duurzaamheid, ruimtegebruik, netbelasting), energiebehoefte (gemiddelde warmtebehoefte, gemiddelde koudebehoefte) en betaalbaarheid (kosten voor de bewoner, kosten voor gebouweigenaar, businesscase warmtenet)
Bij het maken van een warmteprogramma zijn de nationale kosten en gemiddelde warmtebehoefte verplicht om te berekenen, de overige indicatoren worden aanbevolen. Het kan zijn dat die in een latere fase wel verplicht worden. Verstraten: “Bijvoorbeeld wanneer je de aanwijsbevoegdheid wil inzetten.”
Uitgangspunten: algemeen, techniek en financieel
Voor bovengenoemde thema’s worden op algemeen, techniek en financieel vlak de uitgangspunten benoemd. Dat levert een tabel op die structuur geeft aan hoe gemeenten en adviseurs kunnen rekenen. Concrete kostenkentallen zitten er evenwel niet in. Die zijn tijd- en aanbiedergevoelig, legt Witkamp uit. De Warmterichtlijn is ‘meer overkoepelend’ bedoeld.
In het webinar toegelichte voorbeelden van uitgangspunten waar de Warmterichtlijn iets over zegt zijn transparantie (laat zien waar gegevens vandaan komen in verband met reproduceerbaarheid) en prioritering van gegevensbronnen (gebruik bij voorkeur lokale gegevens, anders een vergelijkbare casus, en als beide er niet zijn pas algemene kengetallen). Ook wordt uitgelegd hoe je een gevoeligheidsanalyse doet, om te voorkomen dat hele sterke conclusies worden genomen op onzekere aannames. Bij de technische uitgangspunten schrijft de Warmterichtlijn voor hoe je de huidige warmtevraag berekent en verwijst het document naar bronnen waarmee je de toekomstige warmtevraag kan inschatten.
