In Nederland wordt op dit moment gewerkt aan 151 warmtenetten. Dat blijkt uit het rapport ‘Warmtenetprojecten in ontwikkeling in Nederland’, opgesteld door Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in samenwerking met het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW). Het overzicht laat zien waar nieuwe warmtenetten gepland zijn, hoe ver de projecten zijn gevorderd en welke warmtebronnen worden ingezet.
Van de 151 warmtenetinitiatieven bevinden 79 projecten zich nog in de planfase. Daarnaast zijn 28 projecten daadwerkelijk in ontwikkeling en zijn 35 projecten al in uitvoering. Voor een kleiner aantal projecten is het nog onzeker of de ontwikkeling doorgaat. Dat laat zien dat de warmtetransitie via warmtenetten nog volop in beweging is. Een deel van de projecten zal relatief klein blijven. Volgens het rapport krijgt ongeveer een kwart tot een derde van de warmtenetten meer dan 1.500 aansluitingen. De rest bestaat uit kleinere systemen op wijk- of buurtniveau.
Stedelijke gebieden
De meeste geplande warmtenetten liggen in stedelijke gebieden, waaronder de Randstad, Brabant en Groningen. In deze regio’s is de warmtevraag vaak voldoende geconcentreerd om een collectief systeem rendabel te maken. Daarnaast werken verschillende regio’s aan grotere, regionale netten. Zo wordt in Twente gewerkt aan een regionaal warmtenet dat warmte gebruikt van een afvalverwerker. Ook in Groningen zijn plannen voor een regionaal netwerk en in Zuid-Limburg wordt gekeken naar een grensoverschrijdend warmtenet met Duitsland. Dergelijke regionale netten kunnen een belangrijke rol spelen in de warmtetransitie, omdat ze grotere en stabielere warmtebronnen kunnen benutten.
Mix van warmtebronnen
Uit het overzicht blijkt dat warmtenetten steeds vaker meerdere warmtebronnen combineren. Denk aan aquathermie, restwarmte uit industrie of datacenters en bodemenergie. Door verschillende bronnen te combineren kan de betrouwbaarheid van het systeem worden vergroot en kan het net inspelen op seizoensverschillen in warmtevraag en aanbod. Ook zonnewarmte wordt in sommige projecten onderzocht als aanvullende bron. Het rapport noemt ongeveer tien warmtenetprojecten waarin zonthermie als mogelijke bron wordt verkend.
Het combineren van bronnen wordt steeds belangrijker naarmate warmtenetten duurzamer moeten worden. Traditioneel maken veel warmtenetten gebruik van warmte uit elektriciteitscentrales of afvalverbranders, maar die rol verschuift geleidelijk naar meer duurzame bronnen.
Bewonersparticipatie groeit
Een opvallende uitkomst van het rapport is dat bewoners in ongeveer een derde van de warmtenetinitiatieven betrokken zijn. Dat gebeurt vooral bij kleinere projecten met maximaal 1.500 aansluitingen. De betrokkenheid kan verschillende vormen aannemen. In sommige projecten denken bewoners mee over de keuze van de warmtebron of het ontwerp van het systeem. In andere gevallen investeren zij financieel in het project of nemen zij deel aan het beheer van het warmtenet.
De participatie van bewoners komt relatief vaak voor in Utrecht, Noord-Holland Zuid en de noordelijke provincies. Lokale initiatieven spelen daar een belangrijke rol in de ontwikkeling van collectieve warmtevoorzieningen.
Overzicht moet ontwikkeling inzichtelijk maken
Met het rapport willen RVO en NPLW vooral inzicht bieden in de voortgang van warmtenetten in Nederland. Het overzicht bevat informatie over locatie, ontwikkelfase, mogelijke warmtebronnen en planning van projecten. De dataset achter het rapport kan door gemeenten, bedrijven en onderzoekers worden gebruikt om beter zicht te krijgen op waar nieuwe warmtenetten ontstaan en hoe deze zich ontwikkelen.
Daarnaast ondersteunt RVO initiatiefnemers van warmtenetten met regelingen zoals de Warmtenet Investeringssubsidie (WIS), die bedoeld is om de onrendabele top van warmtenetprojecten te verkleinen en zo de ontwikkeling van collectieve warmtevoorzieningen te versnellen.
Momentopname van een sector in beweging
De onderzoekers benadrukken dat het overzicht een momentopname is. Warmtenetprojecten kunnen vertraging oplopen, veranderen van opzet of in sommige gevallen worden stopgezet. Tegelijkertijd kunnen nieuwe initiatieven ontstaan die nog niet in het overzicht zijn opgenomen.
