‘Als je niet zelf meestuurt, wordt je bestuurd.’ Dat was een van de belangrijkste conclusies van de ‘Kennissessie internationale normering warmtenetten’ op 22 september in Lièmes in Utrecht. Verschillende sprekers vertelden de bijna 60 aanwezige branchegenoten over internationale normen, die inmiddels ook een duidelijke strategische en geopolitieke betekenis hebben gekregen. China probeert bijvoorbeeld steeds nadrukkelijker een stempel te drukken op internationale normering voor warmtenetten. De warmtesector moet daarom nu bepalen hoeveel tijd, kennis en middelen nodig is om invloed te houden op de normen van de toekomst.
De kennissessie wordt geopend door Frans de Heij van Energie Nederland. Hij vertelt dat de kennissessie is georganiseerd op initiatief van de Programmaraad Techniek die een snelle verandering van internationale normen constateert. “We moeten daarom ook als Europa positie bepalen. Wie de standaard helpt schrijven, helpt de markt van morgen vormgeven.” Hij legt vervolgens uit dat andere landen de normen nu inzetten als geopolitiek instrument. “We hebben als Europa lang vooraan in de trein gezeten. Nu is het belangrijk dat we actie ondernemen om de trein niet te missen.”
Strategische en geopolitieke betekenis
Hij geeft het woord aan Sui Wan van de NEN-commissie, die uitlegt dat internationale normen op het eerste gezicht vooral technische documenten lijken, maar inmiddels ook een duidelijke strategische en geopolitieke betekenis hebben. Wie invloed heeft op de ontwikkeling van een norm, kan immers mede bepalen welke technieken en producten in de toekomst worden toegepast, zegt ze. “Je kan de piketpaaltjes slaan en zeggen wie mag meedoen en wie niet. Wie krijgt toegang? En welke techniek gaan we gebruiken?” De ontwikkeling van internationale normen verloopt via een uitgebreid netwerk van nationale en internationale organisaties. Vervolgens wordt die kennis internationaal ingebracht en wordt er gestemd over voorstellen. Zodra een internationale norm eenmaal is vastgesteld, is het volgens Wan bijzonder moeilijk om die nog te veranderen. “Het enige wat we kunnen doen, is in het begin van het proces dingen aanpassen en inbrengen. Straks kan het niet meer.”

Voor de Europese warmtesector betekent dit dat betrokkenheid bij de internationale normontwikkeling volgens Wan niet kan worden uitgesteld tot het moment waarop een norm vrijwel klaar is. Europa heeft volgens Wan verschillende opties: eigen normen naast internationale normen laten bestaan, samenwerken via de Vienna Agreement, of proberen de bestaande Europese normen als internationale norm te laten overnemen. De NEN-commissie zet in op die laatste route. Daarvoor zijn volgens Wan wel meer expertise en capaciteit nodig. Technische kennis alleen is niet voldoende, zegt ze. “Deelnemers moeten ook kennis hebben van het normeringsproces. Als er mensen in de zaal zitten die technische kennis combineren met normenkennis, dan kunnen die ons helpen om voorstellen te controleren.”
Mogelijkheden om normering te beïnvloeden
In de volgende presentatie vertelt Arjan Smorenberg van Rotterdam Engineering over Europese standaardisatie en warmtenetten. Hij is het met Sui Wan eens dat er nu nog mogelijkheden zijn om normering rond warmtenetten te beïnvloeden. “Wie pas aan tafel komt wanneer een internationale norm bijna klaar is, heeft nog maar weinig mogelijkheden om de inhoud ervan te beïnvloeden.”
Hij schetst het grote verschil in schaal tussen de Chinese en de Europese warmtesector. “Terwijl Europese warmtenetten gedurende vele decennia zijn opgebouwd, heeft China zijn warmtenetten in relatief korte tijd sterk uitgebreid. De schaal van de Chinese netten is inmiddels veel groter. Dat leidt ook tot technische verschillen. China kent zeer lange tracés en grote leidingdiameters, terwijl de Europese warmtenetten gemiddeld kleinschaliger zijn.” Ook de organisatie van de sector verschilt, licht Smorenberg toe. “In China is bijna de hele keten in overheidshanden. En de overheid financiert zowel de warmteproductie als de tracés. Een ander belangrijk verschil is dat warmte vaak afgerekend wordt op basis van het oppervlak van een woning in plaats van het daadwerkelijke verbruik. Individuele regeling met thermostaten kennen ze eigenlijk niet.” Volgens Smorenberg kan dat leiden tot oververhitting en onnodig energiegebruik. “Daar staat tegenover dat China met relatief jonge netten werkt en op grote schaal ervaring opdoet. Europa heeft juist veel oudere infrastructuur, maar beschikt over ruime ervaring met lagere temperaturen, energie-efficiëntie en het inpassen van duurzame warmtebronnen.” Wat die grote schaal en een andere omgang met normen in de praktijk betekent, laat Smorenberg zien aan de hand van een filmpje. Hierin is te zien hoe een metershoge fontein van kokend water uit een warmteleiding ontsnapt midden in een drukke Chinese stad. “Dergelijke ongelukken zie je in Nederland niet en als het wel gebeurt, wordt het probleem meteen aangepakt. Terwijl zoiets in China elke winter wel een keer gebeurt.”

Die verschillen komen volgens Smorenberg terug in de discussie over de internationale norm. Europa heeft een uitgebreid stelsel van normen voor onder meer leidingen en materialen. China kent een meer geïntegreerde normstructuur en heeft daarbij ook gebruikgemaakt van Europese normen en ervaringen. Dat betekent volgens hem niet dat de partijen in gesprekken uitsluitend tegenover elkaar staan. “Het is niet wij tegen zij. Chinese experts kunnen leren van de Europese ervaring, terwijl Europese partijen op hun beurt kunnen profiteren van de kennis die China opdoet met grootschalige aanleg.”
Het normeringsproces heeft volgens Smorenberg ook een strategische kant. “Als Chinese producten kunnen voldoen aan een internationale ISO-norm, kunnen zij makkelijker toegang krijgen tot internationale markten. Daarmee kan de huidige positie van Europese producenten van warmtenetcomponenten veranderen.” Daarom is het belangrijk dat Europa actief betrokken blijft bij de ontwikkeling van de normen, zegt hij. “De komende periode is bepalend voor de vraag hoeveel invloed Europa uiteindelijk op de internationale standaard houdt.”
Prijs van het afwachten?
Een belangrijke rode draad van de kennissessie staat ook centraal tijdens de afsluitende dialoog onder leiding van Martin de Kuijper (HVC), voorzitter van de normcommissie Leidingen voor warmtedistributie: ‘Nemen we de leiding, of betalen we de prijs van het afwachten?’ Aan de hand van verschillende stellingen geven de deelnemers in de zaal via de Mentimeter hun mening en gaan ze met elkaar in discussie.
Een van de eerste stellingen levert een verdeeld beeld op: ‘Kan de warmtesector ook zonder internationale normering?’ Een deel van de zaal ziet daar mogelijkheden voor, maar al snel wordt duidelijk dat internationale normen niet eenvoudig te negeren zijn. De vraag is volgens verschillende aanwezigen dan ook niet zozeer óf internationale standaardisatie er komt, maar of de Europese sector daar actief invloed op uitoefent. Als er verschillende normen naast elkaar ontstaan, kan dat bovendien lastig worden voor de industrie.

Een andere discussie gaat over de positie van Nederland. Nederland is klein, maar blijkt binnen de internationale normcommissies relatief veel invloed te hebben. Dat komt volgens de sprekers mede doordat Nederlandse experts zich goed voorbereiden en al vroeg in het proces reageren. Door Europese partners mee te nemen, kan die invloed worden vergroot. ‘Samen staan we sterker’, was een van de conclusies uit deze discussie. Maar betrokkenheid is niet vanzelfsprekend. In internationale vergaderingen zijn vanuit China soms tientallen deskundigen actief, terwijl Europese landen moeite hebben om voldoende mensen en tijd vrij te maken. Normering is geen activiteit die je er zomaar bij kunt doen. Wie voorstellen wil beoordelen en eventueel een tegenvoorstel wil schrijven, heeft daarvoor tijd en geld nodig.
Daarmee ligt ook het onderwerp financiering op tafel. De Nederlandse normactiviteiten worden inmiddels deels ondersteund, maar volgens de sprekers is structurele financiering nodig om de Europese positie op langere termijn te kunnen behouden. Daarbij wordt ook gekeken naar de rol van de overheid. Sommigen zien ruimte voor gerichte ondersteuning van NEN en de sector, terwijl anderen benadrukken dat de verantwoordelijkheid vooral bij de Europese industrie zelf ligt.
Tot slot volgt een belangrijke oproep van de sprekers. Volgens hen hoeft niet iedereen zelf aan een ISO-vergadering deel te nemen, maar specialisten uit de warmtesector kunnen wel helpen met het beoordelen en becommentariëren van voorstellen. De normcommissie wil daarvoor gemakkelijker toegang krijgen tot specifieke technische expertise uit de sector.
Naast Sui Wan en Arjan Smorenberg nemen ook Onno van der Spoel en Gert Dijkstra deel aan de ISO-groep ISO/TC 341.
