Ga naar inhoud

Nieuws

28 april 2025

Utrecht ziet geothermie en restwarmte als meest kansrijk

  • onderzoek, onderwijs
  • ontwikkeling

De gemeente Utrecht heeft onlangs de bronnenstrategie duurzame warmte gepubliceerd. Hierin beschrijft de gemeente welke warmtebronnen in aanmerking komen voor de warmtetransitie en op welke manier deze in verschillende delen van de stad ingezet kunnen worden. Geothermie en restwarmte worden daarbij als de meest kansrijke bronnen naar voren geschoven, aangevuld met onder andere thermische energie uit afvalwater (TEA), oppervlaktewater (TEO) en lucht (TEL).

 

Volgens de strategie is de warmtevraag in Utrecht in 2050 naar verwachting 7,8 petajoule (PJ). Daarvan komt 5,5 PJ voor rekening van de bestaande bouw en 2,3 PJ voor nieuwbouw en nieuwe bedrijventerreinen. Hoewel isolatiemaatregelen en klimaatverandering de warmtevraag per woning doen dalen, wordt deze daling grotendeels gecompenseerd door de groei van het aantal woningen. Utrecht verwacht namelijk 85.000 nieuwe woningen te bouwen tussen 2020 en 2050, waarvan een aanzienlijk deel in de nieuwe wijk Rijnenburg.

 

Warmtenetten spelen sleutelrol
Om aan deze vraag te voldoen, wordt een combinatie van oplossingen ingezet: het bestaande warmtenet wordt uitgebreid, op sommige plekken komen lokale buurtwarmtenetten, en waar dat niet mogelijk is, wordt gekozen voor individuele systemen zoals warmtepompen. Hoe die verdeling exact zal uitpakken, hangt af van technische, economische en ruimtelijke factoren. Daarom schetst de gemeente meerdere scenario’s waarin het aandeel van het warmtenet varieert tussen minimaal 2,5 PJ en maximaal 6 PJ. In alle scenario’s wordt het bestaande warmtenet een belangrijke pijler. Het voorziet nu al zo’n 30% van de warmtevraag en zal naar verwachting groeien naarmate meer panden worden aangesloten. Bijvoorbeeld panden die al aan een warmteleiding liggen, maar nog niet op het net zijn aangesloten. In het minimale scenario worden 25.000 extra aansluitingen voorzien. In het maximale scenario is vrijwel de hele bestaande bouw aangesloten.

 

Geothermie en restwarmte als basislast
Voor het stadsbrede warmtenet zijn met name geothermie en restwarmte op middentemperatuur (MT) belangrijke kandidaten. Beide leveren warmte op het juiste temperatuurniveau, vragen weinig elektriciteit en zijn relatief goedkoop per gigajoule (GJ). Geothermie – diep (1.500 tot 5.000 meter) of ondiep (500 tot 1.500 meter) – heeft daarbij het hoogste potentieel. De verwachte opbrengst uit diepe geothermie wordt geschat op 2,4 PJ per jaar, al is de daadwerkelijke beschikbaarheid nog onzeker. Een proefboring in De Bilt-Zeist, onderdeel van het SCAN-programma, moet hierover in 2025 meer duidelijkheid geven. De inzet van restwarmte hangt af van lokale beschikbaarheid. In Utrecht is die beperkt, maar bronnen zoals de asfaltcentrale en diverse utiliteitsgebouwen kunnen mogelijk nog bijdragen. Samen kunnen ze naar schatting 0,6 PJ op MT en 0,8 PJ op lage temperatuur leveren.

 

Aanvullende bronnen
Naast geothermie en restwarmte kijkt de gemeente ook naar andere bronnen. De grootste waterzuivering (RWZI) in Utrecht levert al warmte via thermische energie uit afvalwater (TEA). Het resterende potentieel van kleinere RWZI’s wordt nog verkend. Voor Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO) wordt vooral gekeken naar het Amsterdam-Rijnkanaal, dat een potentieel van circa 2,4 PJ heeft, mits het gecombineerd wordt met opslag. Ook warmte uit Thermische Energie uit Lucht (TEL) is een optie; de praktische potentie is in principe onbeperkt, maar de hoge elektriciteitsvraag en het ruimtegebruik maken deze bron minder aantrekkelijk als basisvoorziening.

 

Geen rol voor waterstof 
Utrecht sluit de inzet van waterstof in woningen expliciet uit, in lijn met landelijke richtlijnen. Groene waterstof wordt gezien als een schaarse energiedrager die primair bestemd is voor de industrie en zwaar transport. Alleen voor piekvoorziening in het warmtenet – bijvoorbeeld op de koudste dagen van het jaar – zou waterstof mogelijk een rol kunnen spelen. Voor nieuwe woningen en bedrijventerreinen is de inzet van lage temperatuurbronnen via individuele of collectieve systemen het uitgangspunt. Vaak gaat het hierbij om WKO-systemen, bodemlussen of lucht/water-warmtepompen. Omdat deze gebouwen goed geïsoleerd zijn en meestal een beperkte tapwatervraag hebben, zijn ze goed te verwarmen met warmte van 40 tot 55°C. Op bedrijventerreinen past een collectief warmtenet vaak minder goed, vanwege de grotere afstanden tussen de panden.

 

Opslag en infrastructuur 
Een belangrijk aandachtspunt in de strategie is de rol van opslag. Omdat veel duurzame bronnen niet op elk moment van de dag of het jaar beschikbaar zijn, is warmteopslag nodig om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. Utrecht zet hierbij in op verschillende vormen van opslag, zoals ondergrondse WKO-systemen en bovengrondse buffers. Opslag wordt vooral belangrijk bij seizoensgebonden bronnen zoals zonthermie en aquathermie. De gemeente spreekt zich ook uit over de inzet van biomassa: die wordt gezien als transitiebrandstof. Dat betekent dat de bestaande capaciteit (circa 1,6 PJ) voorlopig behouden blijft, maar niet verder wordt uitgebreid. Zodra andere bronnen beschikbaar komen, wordt biomassa uitgefaseerd – een lijn die ook regionaal wordt ondersteund.

 

Concrete acties en afwegingen
Tot slot bevat de strategie een reeks acties die de gemeente de komende jaren wil ondernemen. Zo wordt gewerkt aan:

  • het reserveren van ruimte voor kansrijke bronnen,

  • het ondersteunen van samenwerking tussen bronhouders en warmtebedrijven,

  • het onderzoeken van koppelingen tussen buurt- en stadswarmtenetten,

  • en het verbeteren van het afwegingskader voor bronselectie op basis van elektriciteitsvraag, ruimtegebruik, kosten en zekerheid.

In 2030 volgt een evaluatie, waarin bekeken wordt of de gekozen koers nog haalbaar is en of aanpassingen nodig zijn.

 

Meer informatie:

Auteur: Joop van Vlerken